Eiser diende op 23 december 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden had beslist, stelde eiser de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke en diende op 8 mei 2023 beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Op 1 september 2023 nam de staatssecretaris alsnog een besluit waarin de aanvraag werd ingewilligd. De rechtbank stelde eiser in de gelegenheid hierop te reageren, maar hij deed dit niet. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is omdat inmiddels een besluit is genomen binnen de wettelijke kaders.
Eiser was het niet eens met het besluit van 1 september 2023 omdat daarin geen vaststelling van een bestuurlijke dwangsom was opgenomen. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat het uitsluiten van een bestuurlijke dwangsom in asielprocedures niet in strijd is met het Unierecht. Het beroep tegen het besluit werd daarom ongegrond verklaard.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op €418,50. De uitspraak werd gedaan door rechter J.Y.B. Jansen en griffier F.Q. Peters op 31 oktober 2023 in Groningen.