ECLI:NL:RBDHA:2023:16710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
7 november 2023
Zaaknummer
NL23.22994
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000EVRMVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft dit beroep op 22 september 2023 behandeld en beoordeelt of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje nog van toepassing is.

Eiser betoogt dat vanwege tekortkomingen in het Spaanse asiel- en opvangsysteem, waaronder lange wachttijden en beperkte toegang tot rechtsbijstand, het vertrouwensbeginsel niet langer geldt en Nederland de aanvraag zelf moet behandelen. De rechtbank oordeelt echter dat deze tekortkomingen niet de hoge drempel van zwaarwegendheid halen zoals vereist volgens het arrest Jawo van het Hof van Justitie. Ook de lopende inbreukprocedure tegen Spanje en de overige aangevoerde stellingen zijn onvoldoende concreet onderbouwd.

Daarnaast vreest eiser indirect refoulement bij overdracht aan Spanje, omdat hij uit Jamaica is gevlucht vanwege zijn geaardheid. De rechtbank stelt dat Spanje via het Dublinakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag te behandelen en dat eiser geen aannemelijk gemaakt risico op indirect refoulement heeft gesteld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de staatssecretaris de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag blijft niet in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.22994

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. P.M. van der Roest),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2023, samen met de zaak NL23.22995, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor die asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Kan wat betreft Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?
5. Eiser stelt dat de staatssecretaris wat betreft Spanje in zijn individuele geval niet langer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser betoogt dat de staatssecretaris zijn asielverzoek daarom naar zich toe dient te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser wijst daarbij allereerst op het gebrek aan toegang tot geschikte opvangfaciliteiten. Hij onderbouwt dit met een verwijzing naar het AIDA-rapport uit 2023 [2] , een brief van VluchtelingenWerk waarin onder andere wordt verwezen naar het AIDA-rapport uit 2022, de inbreukprocedure die de Europese Commissie tegen Spanje is gestart omdat Spanje de Unierechtelijke opvangnormen niet goed heeft geïmplementeerd [3] en hetgeen hij via sociale media heeft vernomen. Verder stelt eiser vernomen te hebben dat er enorme verschillen bestaan in de wachttijd voor de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag en dat het slecht is gesteld met de toegang tot rechtskundige bijstand.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris in beginsel ten opzichte van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd in haar uitspraken van 27 januari 2023 en 20 juli 2023. [4] Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Dit beginsel is weerlegbaar. Als de vreemdeling vindt dat dit in zijn geval anders is, dan moet hij dat aannemelijk maken. Daarvoor kan de vreemdeling bijvoorbeeld objectieve informatie over de werking van het asielsysteem in Spanje overleggen of verklaren over zijn eigen ervaringen in Spanje. Maakt de vreemdeling dit voldoende aannemelijk, dan is het vervolgens aan de staatssecretaris om te motiveren dat en waarom hij nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. [5]
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht stelt dat ten aanzien van Spanje nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hoewel uit het AIDA-rapport van 2023, en eerdere versies, kan worden opgemaakt dat er problemen zijn met de opvang in Spanje, is niet gebleken dat die problemen dusdanig zijn dat deze de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie. [6] De staatssecretaris wijst daarbij terecht op de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2023 waar zij het oordeel van de rechtbank overneemt en overweegt dat de situatie met betrekking tot de opvangfaciliteiten zoals beschreven in het AIDA-rapport uit 2023 niet zodanig afwijkt van hetgeen over de opvangfaciliteiten uit het AIDA-rapport uit 2022 blijkt en dat daaruit dus niet volgt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [7] De rechtbank oordeelt bovendien dat de enkele verwijzing van eiser naar de door de Europese Commissie gestarte inbreukprocedure, ook niet maakt dat wat betreft Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [8] Daarbij wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, waar de Europese Commissie – anders dan in deze inbreukprocedure die zich nog in een pril stadium bevindt – al een voorstel bij de Europese Raad had ingediend. Ook toen was geen sprake van het uitzonderlijke geval dat het starten van een dergelijke procedure aanleiding geeft om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [9] Bovendien heeft eiser niet nader onderbouwd op welke manier de Spaanse autoriteiten tekort zouden schieten in de opvang van Dublinclaimanten. Verder maakt eisers betoog dat de wachttijd in de asielprocedure erg lang kan zijn en dat het slecht gesteld is met de toegang tot rechtsbijstand niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft deze stellingen namelijk niet voldoende concreet onderbouwd. Indien eiser meent dat Spanje zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen dan is het aan hem om hierover te klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten of het EHRM. Niet is gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat of dat de Spaanse autoriteiten zich hierin onverschillig opstellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestaat voor eiser het risico op indirect refoulement bij overdracht aan Spanje?
6. Eiser voert aan dat hij bij overdracht aan Spanje vreest voor een reëel risico op indirect refoulement. Hij is Jamaica ontvlucht vanwege aan aanslag op zijn persoon vanwege zijn geaardheid en daarom vreest hij voor zijn leven bij een gedwongen terugkeer naar Jamaica.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd hebben het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de Spaanse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Spanje een risico loopt op (indirect) refoulement. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verwijzing naar wat eerder is aangevoerd
7. Eiser heeft verzocht om wat eerder in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de staatssecretaris hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser in zijn gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd dat de staatssecretaris hier niet of onvoldoende op heeft gereageerd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door hem nagestreefde resultaat. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.AIDA Country Report: Spain Update 2022, april 2023.
3.INF(2022)2158.
4.ABRvS 27 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:364 en ABRvS 20 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2803.
5.Zie bv. ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042, r.o. 4-4.1.
6.HvJ 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
7.ABRvS 20 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2803 en Rb. Den Haag, zp. Utrecht, ECLI:NL:RBDHA:2023:9823, r.o. 8-9.
8.Zie bv. ook Rb. Amsterdam 8 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5056, r.o. 3.2; Rb. Den Haag 20 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8927, r.o. 4.3.1.
9.ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:282.