Eiser heeft op 18 januari 2019 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De staatssecretaris heeft niet tijdig een besluit genomen, ondanks een eerdere uitspraak van de rechtbank die het beroep van eiser gegrond verklaarde. Eiser stelde de staatssecretaris in gebreke en startte een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is ontvangen. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank past artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb toe en draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken alsnog een besluit te nemen.
Verder legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500,-. De proceskosten van eiser worden vastgesteld op € 418,50. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier F.Q. Peters en is geanonimiseerd gepubliceerd.