De rechtbank Den Haag heeft op 31 oktober 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de bewaring en de naleving van de informatieplicht jegens eiser.
Eiser stelde dat de ophoudingstermijn van maximaal zes uur was overschreden omdat de ophouding volgens hem begon op het moment van strafrechtelijke heenzending op 1 oktober 2023 om 21:13 uur, terwijl hij pas op 2 oktober om 14:20 uur in bewaring werd gesteld. De staatssecretaris stelde dat de ophoudingstermijn pas aanving bij aankomst op de plaats van verhoor op 2 oktober 2023 om 8:45 uur, en dat de tijd van overbrenging niet meetelt. De rechtbank volgde de staatssecretaris en oordeelde dat de ophoudingstermijn niet was overschreden.
Daarnaast voerde eiser aan dat de staatssecretaris niet had voldaan aan de verplichting om hem schriftelijk te informeren over de bewaring en de mogelijkheid tot beroep, zoals voorgeschreven in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank constateerde dat de informatiefolder niet in het dossier aanwezig was en dat de schriftelijke mededeling ontbrak, waardoor de informatieplicht niet volledig was nageleefd. Dit gebrek leidde echter niet tot onrechtmatigheid van de bewaring, mede omdat eiser tijdig beroep had ingesteld.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelde de staatssecretaris wel tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens het geconstateerde gebrek in de informatieplicht.