ECLI:NL:RVS:2021:1639
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en ongegrondverklaring beroep
Bij besluit van 14 maart 2021 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag had deze bewaring op 30 maart 2021 opgeheven en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank omdat deze ten onrechte had geoordeeld over de geldigheid van de elektronische handtekening op het bewaringbesluit. Vervolgens beoordeelt de Afdeling de overige beroepsgronden die nog niet door de rechtbank waren behandeld.
De Afdeling verwerpt de bezwaren van de vreemdeling over het ontbreken van mededelingen, het gebruik van handboeien, de grondslag van de bewaring, en de onrechtmatigheid van de bewaring vanwege psychische problemen. Ook oordeelt zij dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld met betrekking tot de termijn voor beslissing op de asielaanvraag en dat zicht op uitzetting niet vereist is.
Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.