In deze bestuursrechtelijke procedure hebben Stichting Administratiekantoor DKO en Haagsche Vastgoedmaatschappij Klein Zwitserland I B.V. samen met een derde verzoeker schadevergoeding gevraagd wegens een onrechtmatig besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het betrof een last onder dwangsom die aan verzoekster 1 was opgelegd en later door de rechtbank herroepen.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker 2 niet-ontvankelijk is omdat hij niet rechtstreeks bij het herroepen besluit betrokken is. Verzoekers 1 en 3 hebben hun schade onderbouwd met een Excel-overzicht van diverse facturen en kostenposten, maar konden deze niet met objectieve en controleerbare stukken onderbouwen. Ook ontbrak een causaal verband tussen de herroepen last onder dwangsom en de gestelde schade, omdat veel kosten ook zonder de last onder dwangsom gemaakt zouden zijn.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af, mede omdat reeds in een eerdere uitspraak over de proceskosten in de beroepsprocedure een forfaitaire vergoeding was toegekend. Verzoekers konden in deze procedure geen aanvullende vergoeding van proceskosten krijgen. Het verzoek van verzoeker 2 werd niet-ontvankelijk verklaard en hij kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
De uitspraak benadrukt het limitatieve karakter van de proceskostenregeling in bestuursrecht en de noodzaak tot het aannemelijk maken van causaal verband en objectieve schade bij schadevergoedingsverzoeken.