Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2020 in de zaken tussen
Stichting Administratiekantoor DKO., te Den Haag, eiseres 1, en
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
De beroepen zijn opnieuw ter zitting behandeld op 20 februari 2020. Eiseressen en verweerder waren opnieuw vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Voorts was namens eiseressen aanwezig ir. R. Wessels.
- partijen zouden vervolgens op basis van dit overzicht de mogelijkheid van een minnelijke schikking beproeven.
Overwegingen
Tot slot is van bijzondere omstandigheden, die er toe nopen van handhaving af te zien, niet gebleken. In dit verband verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van
14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:469.
24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1380. In die uitspraak heeft de Afdeling, onder meer, overwogen dat de Woningwet op 1 april 2007 aldus is gewijzigd dat het in artikel 40 van Pro de Woningwet neergelegde verbod zich niet alleen maar richtte tot degene die zonder of in afwijking van een bouwvergunning had gebouwd of daartoe de opdracht had gegeven, maar ook tot degene die een zonder de daartoe vereiste bouwvergunning gerealiseerd bouwwerk in stand liet. In eerdere uitspraken van de Afdeling (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van
17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7766) heeft de Afdeling overwogen dat degenen die een pand vóór 1 april 2007 in eigendom hebben verkregen niet als overtreders van artikel 40 van Pro de Woningwet konden worden aangemerkt omdat artikel 40 van Pro de Woningwet, voor zover in die zaken van belang, zich ten tijde van de verkrijging van het pand alleen richtte tot degene die zonder of in afwijking van een bouwvergunning had gebouwd of daartoe opdracht had gegeven. Om die reden heeft de Afdeling overwogen dat de rechtszekerheid zich verzet tegen handhavend optreden, tenzij betrokkene ten tijde van de verkrijging concrete aanwijzingen had dat zonder of in afwijking van een bouwvergunning was gebouwd. Een geval zoals aan de orde was in voormelde uitspraak van de Afdeling doet zich hier echter niet voor. Eiseres heeft immers in 2016 het pand in eigendom gekregen. In 2016 gold artikel 2.3a van de Wabo dat zich eveneens richt tot degene die een bouwwerk of een deel daarvan dat is gebouwd zonder vergunning in stand laat. Van eiseres kon ten tijde van de verkrijging van het pand worden verlangd dat zij zou onderzoeken of voor het aanbrengen van de voorzieningen (de uitgevoerde splitsing) een bouwvergunning nodig was en was verleend. Zie in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2806.
Weliswaar week deze combinatie van aanvragen af van de aanvraag die oorspronkelijk bij verweerder was ingediend en die leidde tot de weigering van 30 maart 2018 (primaire besluit 2) maar naar het oordeel van de rechtbank had van verweerder in deze bijzondere situatie mogen worden verwacht dat de geschetste alternatieve mogelijkheid zou zijn onderzocht voordat verweerder het handhavingstraject in gang zette. Hierbij acht de rechtbank van betekenis dat er enkele duidelijke aanwijzingen zijn dat de splitsing van de bovenwoning in twee afzonderlijke woningen al zeer lang geleden, mogelijk al in 1995 is gerealiseerd, toen de rechtsvoorganger van eiseres de bovenwoning aankocht. Dit kan worden afgeleid uit de verklaring van J. Appelman in het dossier, en de door ir. R. Wessels ter zitting van 20 februari 2020 afgelegde verklaring, die in dezelfde richting wijst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er in dit geval voldoende zicht was op legalisatie.