ECLI:NL:RBDHA:2023:17229

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2023
Publicatiedatum
13 november 2023
Zaaknummer
20/4828
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44, eerste lid, ParticipatiewetArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor eigen bijdragen rechtsbijstand op grond van Participatiewet

Eiseres heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van eigen bijdragen verbonden aan civiele toevoegingen van de Raad voor de Rechtsbijstand, verstrekt tussen augustus en november 2019. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de kosten ouder waren dan 30 dagen voorafgaand aan de aanvraag, conform het gemeentelijk beleid. Eiseres voerde aan dat de aanvraagprocedure ingewikkeld was en dat zij tijdig contact had opgenomen voor een aanvraagformulier, en beriep zich op de hardheidsclausule.

De rechtbank overweegt dat het buitenwettelijke beleid van verweerder terughoudend wordt getoetst en dat het beleid consistent is toegepast. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die afwijking rechtvaardigen. Onbekendheid met het beleid is geen bijzondere omstandigheid. De vraag of toepassing van de hardheidsclausule op grond van de Awb had moeten plaatsvinden blijft onbeantwoord vanwege het terughoudende toetsingskader.

De overige beroepsgronden zijn onvoldoende onderbouwd en reeds gemotiveerd weerlegd door verweerder. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor eigen bijdragen rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/4828

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. F.S. Jansen)
en
het college van burgemeester van wethouder van Leidschendam-Voorburg, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van eigen bijdragen rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met toestemming van partijen heeft er geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 9 januari 2020 heeft eiseres bijzondere bijstand aangevraagd voor zesmaal de eigen bijdragen op de door de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR) verleende civiele toevoegingen van in totaal € 978,-. De toevoegingen zijn verleend op 15 augustus 2019 (driemaal), 1 oktober 2019, 4 oktober 2019 en 29 november 2019.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdragen in het kader van verleende toevoegingen afgewezen. Dit besluit heeft verweerder na heroverweging gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat verlening van bijzondere bijstand op grond van het gemeentelijk beleid niet meer mogelijk is, omdat eiseres bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor de eigen bijdragen van toevoegingen die ouder zijn dan 30 dagen. De situatie van eiseres geeft volgens verweerder ook geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
3. Eiseres is het niet met verweerder eens en doet een beroep op de hardheidsclausule. Volgens haar is de procedure om bijzondere bijstand aan te vragen bij verweerder te ingewikkeld en duurt de besluitvorming te lang. Eiseres heeft in december 2019 verweerder gebeld en gevraagd om haar een aanvraagformulier bijzondere bijstand te sturen. De aanvraag van dat formulier ligt daarmee voor de toevoeging van 29 november 2019 volgens eiseres binnen de 30 dagentermijn. Verweerder heeft haar in het telefoongesprek niet verteld dat de indieningstermijn 30 dagen bedraagt en de beleidsregels zijn ook niet gepubliceerd op de website van verweerder. Volgens eiseres heeft verweerder ook in strijd gehandeld met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1 Het uitgangspunt is dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding heeft plaatsgevonden. [1] Volgens vaste rechtspraak [2] kan van dit uitgangspunt worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Verweerder voert een buitenwettelijk begunstigend beleid dat bepaalt dat ook bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor kosten gemaakt tot dertig dagen voorafgaand aan de aanvraag. Dit staat in regel 2, achtste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Leidschendam-Voorburg 2019. In het zevende lid staat dat verweerder van de beleidsregels kan afwijken, indien de omstandigheden en mogelijkheden van de persoon of zijn gezin daartoe aanleiding geven (hardheidsclausule).
4.2
Buitenwettelijke begunstigend beleid wordt door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Er wordt alleen gekeken of verweerder het beleid consistent heeft toegepast. Dat heeft verweerder in dit geval gedaan. Aan eiseres zijn in de periode van 15 augustus 2019 tot en met 29 november 2019 toevoegingen verleend. Aan die toevoegingen is een eigen bijdrage verbonden. Zij heeft op 9 januari 2020 voor die kosten bijzondere bijstand aangevraagd. De kosten van de eigen bijdragen zijn dus meer dan dertig dagen voor de aanvraag gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar situatie sprake was van bijzondere omstandigheden. Onbekendheid met de beleidsregels is in ieder geval niet zo'n omstandigheid. De vraag of verweerder in dit geval toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van Pro de Awb en gebruik had moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid (de hardheidsclausule), blijft hier onbeantwoord. Het buitenwettelijke karakter van verweerders beleid brengt immers mee dat de bestuursrechtelijke toets terughoudend is. [3]
4.3
De overige beroepsgronden zijn een herhaling van wat eiseres in bezwaar al heeft aangevoerd. Verweerder is daarop in het bestreden besluit voldoende ingegaan en heeft deze gronden gemotiveerd weerlegd. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in het bestreden besluit onjuist dan wel onvolledig zou zijn.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.zie artikel 44, eerste lid, van de Pw
2.zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 juni 2020; ECLI:NL:CRVB:2020:1328
3.CRvB van 8 november 2016; ECLI:NL:CRVB:2016:4251