Eiser heeft op 23 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, stelde eiser de staatssecretaris bij brief van 27 juli 2022 in gebreke. Op 10 augustus 2022 werd beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken, de ingebrekestelling rechtsgeldig is en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Vreemdelingenwet 2000 is het beroep kennelijk gegrond.
De rechtbank wijst op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarbij bestuurlijke dwangsommen zijn uitgesloten, maar rechterlijke dwangsommen niet. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris binnen zestien weken alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 7.500 bij overschrijding.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier A.E. Geçer en is openbaar gemaakt op 16 februari 2023.