ECLI:NL:RBDHA:2023:17548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 november 2023
Publicatiedatum
16 november 2023
Zaaknummer
NL23.25973
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander niet onrechtmatig

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser, een Oekraïense derdelander, behandeld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. De bescherming was verleend op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.

De rechtbank heeft het beroep samen met een verzoek tot voorlopige voorziening op 9 november 2023 behandeld en het onderzoek ter zitting gesloten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep, waartoe eiser behoort, te beëindigen. Dit oordeel sluit aan bij een eerdere uitspraak van 30 oktober 2023 van de meervoudige kamer van dezelfde rechtbank.

Eiser voerde onder meer aan dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn rechten beschermden omdat hij het afgelopen jaar in Nederland verbleef en arbeid verrichtte. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat eiser geen ondubbelzinnige toezegging van de staatssecretaris kon aantonen. Ook het verzoek tot aanhouding of schorsing van de procedure in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is een hersteluitspraak die de eerdere uitspraak van 13 november 2023 vervangt zonder wijziging van de uitspraakdatum.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25973

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Verzijden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 28 augustus 2023 waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), [2] eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer NL23.25975), op 9 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank zal het beroep van eiser ongegrond verklaren en overweegt daartoe het volgende.
Bevoegdheid van verweerder, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de voornemenprocedure
4. De rechtbank overweegt dat bij uitspraak van 30 oktober 2023 de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat verweerder bevoegd is de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als de facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen (hierna: de MK-uitspraak). Ook is in die uitspraak geoordeeld dat de beëindiging niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en dat verweerder kan volstaan met de voornemenprocedure en geen individueel gehoor hoeft af te nemen. [3]
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgronden eveneens betrekking hebben op de bevoegdheid van verweerder, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht, geen aanleiding om anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraak van 30 oktober 2023 en maakt de dragende overwegingen in die uitspraak tot de hare.
4.2.
Eisers verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2023:12916, ECLI:NL:RBDHA:2023:12919 en ECLI:NL:RBDHA:2023:12912) baat hem niet. De rechtbank is bekend met de uitspraken, maar volgt in eisers zaak de lijn die deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 30 oktober 2023 heeft uitgezet. Onder verwijzing naar overweging 6.3 van de MK-uitspraak, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn geschonden nu hij het afgelopen jaar in Nederland zijn verblijf heeft gehad en ook arbeid heeft verricht. Meer in het bijzonder heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder aan hem een ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel ook om die reden faalt.
5. Eiser heeft verzocht om aanhouding dan wel schorsing van het onderzoek ter zitting tot het moment dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspaak doet in een soortgelijke zaak. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en heeft eisers verzoek dan ook afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 13 november 2023, zonder wijziging van de uitspraakdatum.
De hersteluitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken
1 weekna de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt.
is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro de Richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.