ECLI:NL:RBDHA:2023:17671
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders Oekraïne niet onrechtmatig
Eiser, een derdelander uit Marokko, betwist het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming, verleend op basis van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023. De rechtbank heeft het beroep samen met een voorlopige voorziening op 14 november 2023 behandeld.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 oktober 2023 waarin werd geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen. Daarbij is vastgesteld dat dit niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en dat een voornemenprocedure volstaat zonder individueel gehoor.
Eiser voerde aan dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro, onder meer vanwege zijn persoonlijke omstandigheden zoals werk, studie en relatie met een Oekraïense vrouw. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris het besluit deugdelijk heeft gemotiveerd en dat de belangen van eiser onvoldoende concreet zijn onderbouwd om het besluit onevenredig te achten. Tevens is het asielgerelateerde betoog van eiser niet aan de orde in deze procedure.
De rechtbank concludeert dat het besluit zorgvuldig is genomen, de procedure correct is gevolgd, en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.