Eiser, een Pakistaanse derdelander, maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn recht op tijdelijke bescherming, gebaseerd op Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep derdelanders te beëindigen en dat dit niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De beroepsgronden van eiser over de bevoegdheid, het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en vermeende vooringenomenheid faalden.
Voorts werd het intrekken van het terugkeerbesluit door verweerder terecht geacht, omdat eiser een lopende asielaanvraag had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.674,00.