ECLI:NL:RBDHA:2023:17686
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders Oekraïne niet onrechtmatig
Eiser, een derdelander uit Turkije, maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 te beëindigen per 4 september 2023.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 oktober 2023 waarin is geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd is de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep derdelanders te beëindigen en dat dit niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Eisers beroep op deze beginselen faalt eveneens, evenals zijn verwijzingen naar andere jurisprudentie en een annotatie.
Eiser stelde dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat de facultatieve groep anders werd behandeld dan andere ontheemden. De rechtbank oordeelt dat er een gerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen groepen, mede omdat de facultatieve groep een tijdelijke verblijfsvergunning heeft en kan terugkeren of een asielprocedure kan starten.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt ook, omdat de beëindiging van de tijdelijke bescherming een passend en noodzakelijk middel is om de opvangproblematiek en misbruik tegen te gaan. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn individuele belangen, zoals zijn relatie en integratie, een disproportionele inbreuk zouden vormen.
Hoewel het besluit een motiveringsgebrek kent ten aanzien van eisers relatie, passeert de rechtbank dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro en oordeelt dat eiser hierdoor niet wordt benadeeld. Wel krijgt eiser proceskostenvergoeding toegekend wegens het motiveringsgebrek.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.