AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag wegens toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en non-refoulement
Eiseres, geboren in 1944 en van Rwandese nationaliteit, diende in 2021 een asielaanvraag in nadat haar Nederlanderschap in 2017 was ingetrokken wegens vermoedens van betrokkenheid bij ernstige misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder wees de aanvraag in 2023 af als kennelijk ongegrond, verwijzend naar eerdere conclusies over artikel 1(F).
Eiseres voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd en dat een verscherpt toetsingskader geldt, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de eerdere, door rechtbank en hoogste bestuursrechter bevestigde conclusies. Nieuwe getuigenverklaringen waren tegenstrijdig en boden geen aanleiding tot herziening.
De rechtbank stelde vast dat de afwijzing als kennelijk ongegrond passend is omdat artikel 1(F) uitsluiting van vluchtelingenstatus voorschrijft. Het niet-uitvaardigen van een terugkeerbesluit wegens non-refoulement is niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn, maar artikel 45, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt in dit geval buiten toepassing gelaten. Een nadere evenredigheidsbeoordeling is niet aan de orde.
Het beroep is ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De rechtbank benadrukt dat het aan de wetgever is om een structurele oplossing te vinden voor situaties waarin verwijdering niet mogelijk is, rekening houdend met minimale grondrechten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.“Nederland gaf Joseph Mpambara levenslang voor zijn rol in de Rwandese genocide. Maar waren de getuigen betrouwbaar?”.
3.Van 3 november 2014.
4.Het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
6.De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:114. 7.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
8.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000.
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000; de implementatie van artikel 31, achtste lid, aanhef en onder j, van Richtlijn 2012/32/EU (de Procedurerichtlijn).
12.Richtlijn 2011/95/EU.
13.Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn.
14.Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn.
15.Hof van Justitie van de Europese Unie.
17.Het arrest XXX van 6 juli 2023 van het Hof (C-8/22).
18.Artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
19.Cursivering door de rechtbank.
20.Richtlijn 2008/115/EG.
21.Het arrest X van het Hof van 22 november 2022 (C-69/21), het arrest XXX van het Hof van
22.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
23.Zie punt 52 van het arrest AA van het Hof van 6 juli 2023 (C663-21).
24.Zie punt 84 van het arrest X.
25.Zie punt 85 van het arrest X.