ECLI:NL:RVS:2021:114
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging rol bij genocide in Rwanda
Appellante, sinds 1998 in Nederland verblijvend, verkreeg in 2009 het Nederlanderschap. In 2017 trok de staatssecretaris dit in op grond van artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), vanwege verzwijging van haar rol bij de genocide in Rwanda in 1994. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De staatssecretaris baseerde zich op een individueel ambtsbericht en een artikel 1(F)-onderzoek, waaruit ernstige vermoedens blijken dat appellante betrokken was bij voorbereidingen en uitvoering van de genocide, waaronder het organiseren van bijeenkomsten en het faciliteren van geweld. Appellante betwistte de betrouwbaarheid van het ambtsbericht en voerde onder meer schending van het legaliteitsbeginsel, onschuldpresumptie en het beginsel van equality of arms aan.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris terecht uitging van ernstige vermoedens en dat de procedure zorgvuldig en met voldoende waarborgen is verlopen. De intrekking is geen strafrechtelijke sanctie, maar een bestuurlijke maatregel gericht op het corrigeren van frauduleus verkregen Nederlanderschap. De Afdeling wijst de bezwaren af, bevestigt de intrekking en laat de gevolgen voor het verblijf en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel buiten beschouwing in deze procedure.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellante wegens verzwijging van haar rol bij de genocide in Rwanda wordt bevestigd.