ECLI:NL:RBDHA:2023:17865
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beklag tegen conservatoir beslag op woning wegens schijnconstructie en vereenzelviging
De rechtbank Den Haag behandelde het beklag van een vennootschap tegen het conservatoir beslag op een woning die op naam van de vennootschap stond, maar feitelijk werd gebruikt door de bestuurder en diens echtgenote. De vennootschap stelde dat de woning haar eigendom was en dat het beslag disproportioneel en onrechtmatig was. De officier van justitie betoogde dat sprake was van een schijnconstructie waarbij de woning feitelijk toebehoorde aan de bestuurder en zijn echtgenote, die tevens bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap was.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is, maar dat voldoende aanwijzingen bestonden dat de aandelenconstructie en de aankoop van de woning onzakelijk waren en bedoeld om de uitwinning van het registergoed te frustreren. De feitelijke bewoning door de bestuurder en zijn echtgenote zonder huurbetaling, het ontbreken van een bankrekening op naam van de vennootschap sinds 2015 en de financiële afhankelijkheid van de echtgenote van de bestuurder versterkten dit oordeel.
De rechtbank stelde vast dat de vennootschap en haar bestuurder/echtgenote als één kunnen worden beschouwd en dat de wetenschap van de onzakelijkheid aan hen kan worden toegerekend. Het voortduren van het beslag was niet disproportioneel gezien het hoge bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat ontnomen moet worden. Ook het standpunt dat het beslag in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel werd verworpen, omdat het beslag op het moment van leggen een wettelijke basis had.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beklag ongegrond en handhaafde het conservatoir beslag op de woning.
Uitkomst: Het beklag tegen het conservatoir beslag op de woning wordt ongegrond verklaard en het beslag wordt gehandhaafd.