Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, is op 30 januari 2023 in bewaring gesteld wegens het niet naleven van de identificatieplicht en illegaal verblijf in Nederland. De maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal belemmeren.
Eiser voerde aan dat de aanhouding een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding betrof en dat hij ten onrechte zonder advocaat is gehoord, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren. Ook stelde eiser dat de maatregel onevenredig bezwarend is en dat er onvoldoende zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, hetgeen onvoldoende onderbouwd werd.
De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet naleven van een terugkeerbesluit en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist zijn. Verder is vastgesteld dat verweerder voortvarend werkt aan de uitzetting en dat er zicht is op uitzetting naar Suriname binnen een redelijke termijn. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden ongegrond verklaard.