Uitspraak
Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Turkse nationaliteit, heeft voor de vierde keer een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn echtgenoot te verblijven. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen op grond van eerdere besluiten waarin sprake werd geacht van een schijnhuwelijk. Eiser voerde aan dat de bewijslast bij de staatssecretaris ligt en dat hij nieuwe feiten en omstandigheden had overgelegd die een oprechte relatie aantonen.
De rechtbank oordeelt dat bij herhaalde aanvragen artikel 4:6 Awb Pro van toepassing is en dat eiser moet aantonen dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. De overgelegde stukken, waaronder foto’s, bankafschriften en screenshots, zijn niet nieuw en leiden niet tot een ander oordeel. Jurisprudentie bevestigt dat bestuursorganen herhaalde aanvragen kunnen afwijzen zonder inhoudelijke toetsing als er geen nieuwe feiten zijn.
Eiser stelde ook dat het simultaan horen onrechtmatig verkregen bewijs opleverde, maar de rechtbank verwierp dit omdat de uitspraak waarop dit was gebaseerd pas na het bestreden besluit was gedaan en het simultaan horen niet in strijd was met Unierecht maar met Nederlandse wetgeving. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.