ECLI:NL:RBDHA:2023:1880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 29 mei 2022 een asielaanvraag in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 29 april 2022 illegaal Italië was binnengekomen, dat volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet langer geldt vanwege een tijdelijke opschorting van overdrachten door Italië wegens tekortkomingen in de opvang, zoals blijkt uit een circular letter van december 2022. Tevens stelde eiser dat hij een bijzondere familieband heeft in Nederland en dat verweerder op grond van artikel 8 EVRM Pro en artikel 17 Dublinverordening Pro de aanvraag in behandeling had moeten nemen.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft gelden ondanks de tijdelijke opschorting, die niet structureel is aangetoond. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigen dat tijdelijke opschortingen geen reden zijn om het vertrouwensbeginsel los te laten. Ook de familieband en het beroep op artikel 8 EVRM Pro werden onvoldoende onderbouwd.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat Italië verantwoordelijk blijft voor de asielaanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.