ECLI:NL:RVS:2022:1520
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en opschorting Roemeense overdrachten
De vreemdeling, met de Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Roemenië verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. Roemenië had het overnameverzoek geaccepteerd, maar had aangekondigd alle inkomende Dublinoverdrachten tijdelijk op te schorten vanwege de grote instroom van vluchtelingen uit Oekraïne.
De vreemdeling voerde aan dat Nederland de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken vanwege deze opschorting. De Afdeling oordeelde echter dat de opschorting door Roemenië een tijdelijke feitelijke belemmering is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. De Roemeense autoriteiten hadden toegezegd de aanvraag te behandelen conform Europese en internationale verplichtingen.
De rechtbank had terecht geoordeeld dat de opschorting niet betekent dat Nederland verplicht is de aanvraag te behandelen. Indien de opschorting langer duurt dan de bindende overdrachtstermijnen, moet Nederland alsnog de aanvraag inhoudelijk behandelen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.