ECLI:NL:RBDHA:2023:19207

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2023
Publicatiedatum
8 december 2023
Zaaknummer
NL23.17777
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 VwWBV 2022/22Europese Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag afgewezen

Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposant verzet in. De rechtbank beoordeelde in deze verzetprocedure uitsluitend of het eerdere oordeel terecht was dat het beroep buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was, zonder inhoudelijke toetsing van de beroepsgronden.

Opposant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de ingebrekestelling te vroeg was en verwees naar ontwikkelingen in hoger beroep en prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De rechtbank vond echter geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien, mede omdat het toetsingskader in verzet beperkt is en de verwijzingsuitspraak van de Raad van State ten tijde van de eerdere uitspraak nog niet bekend was.

Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de buiten-zittinguitspraak blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17777 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam] , opposant,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nicaraguaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller)
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geopposeerde

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel)

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 24 augustus 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 29 november 2023 op zitting behandeld. Bij brief van 11 oktober 2023 heeft gemachtigde van opposant de rechtbank laten weten dat de uitnodiging voor de zitting kan worden ingetrokken. Opposant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Geopposeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geopposeerde te vroeg in gebreke is gesteld door opposant. In de beroepsgronden heeft opposant veelvuldig en gemotiveerd verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 6 januari 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:136). Bij de zitting van het hoger beroep (202300717/1/V1) op 13 juni 2023 is onder meer de noodzaak van prejudiciële vragen aan de orde gekomen. Gelet op deze ontwikkelingen, waar de rechtbank ambtshalve van op de hoogte had moeten zijn, bestond volgens opposant voldoende aanleiding om het beroep van opposant aan te houden totdat over dat hoger beroep is geoordeeld. Verder geeft opposant aan dat zolang de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geen uitspraak heeft gedaan, in ieder geval sprake is van divergentie in de relevante rechtspraak en leende het beroep zich ipso iure niet voor een afdoening buiten zitting.
4. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat zij niet tot een kennelijk oordeel heeft kunnen komen. De omstandigheid dat door de verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank anders wordt geoordeeld over de betekenis van WBV 2022/22 voor de beslistermijn van de staatssecretaris, maakt niet dat in dit geval redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het beroep. Dat geldt ook voor de behandeling van het hoger beroep door de ABRvS op 13 juni 2023. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in de uitspraak van haar meervoudige kamer van 26 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6050) dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b van de Vw.
5. De ABRvS heeft in een verwijzingsuitspraak van 8 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4125) zogenoemde prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg. Zij wil van het Hof van Justitie weten in welke gevallen de staatssecretaris op basis van de Europese Procedurerichtlijn, de standaardbeslistermijn voor asielverzoeken van zes maanden mag verlengen met maximaal negen maanden.
6. Gelet op het toetsingskader in deze verzetprocedure ligt enkel ter beoordeling voor of de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. De ABRvS heeft in de uitspraak van 18 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:84) het toetsingskader in verzet uitgelegd.”
Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de verzetsrechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden”. Ten tijde van de uitspraak van 24 augustus 2023 was de rechtbank en ook opposant niet bekend met de verwijzingsuitspraak van de ABRvS. Het oordeel in die uitspraak stond dus buiten redelijke twijfel.
7. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 augustus 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.