Eiseres was sinds februari 2016 werkzaam als medewerker wasplaats en werd ziekgemeld per 20 januari 2020. Na herstelmelding in november 2020 en beëindiging dienstverband per 1 januari 2021, meldde zij zich opnieuw ziek per 23 februari 2021. Verweerder beëindigde de Ziektewet-uitkering per 29 juli 2021, omdat uit medisch en arbeidskundig onderzoek bleek dat eiseres doorlopend arbeidsongeschikt was maar een verdiencapaciteit van meer dan 65% van het maatmaninkomen had.
Eiseres voerde aan dat zij niet doorlopend arbeidsongeschikt was en dat de periode tussen herstelmelding en nieuwe ziekmelding langer dan vier weken was, waardoor de beoordeling anders had moeten plaatsvinden. Ook stelde zij dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij geconfronteerd werd met terugvorderingen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat eiseres sinds 20 januari 2020 doorlopend arbeidsongeschikt was en dat de verdiencapaciteit meer dan 65% bedroeg. Het ontbreken van lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep was niet onzorgvuldig, aangezien voldoende medische gegevens beschikbaar waren. Terugvorderingen vielen buiten het geschil. Het beroep werd ongegrond verklaard.