Eiser, een Turkse nationaliteit dragende IT-specialist, diende op 16 november 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met de beperking arbeid als zelfstandige bij een IT-bedrijf in Rotterdam. De aanvraag werd op 16 februari 2022 afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling hiervan. Eiser maakte bezwaar, maar dit werd op 6 september 2022 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het ondernemingsplan van eiser summier, algemeen en onvoldoende concreet was, met een te brede omschrijving van kernactiviteiten, doelgroep en producten. Ook was de concurrentieanalyse beperkt en onvoldoende onderbouwd. Eiser kon niet aantonen dat hij een wezenlijk Nederlands economisch belang diende. Daarnaast ontbraken belangrijke documenten zoals een Nuffic-waardering voor zijn diploma en bewijs van werkervaring. De stelling dat mondelinge overeenkomsten voldoende waren, werd niet gevolgd.
Verder werd geoordeeld dat verweerder terecht van het horen in bezwaar kon afzien omdat het ontbreken van essentiële stukken en een onvoldoende onderbouwd plan het aannemelijk maakte dat een hoorzitting geen ander besluit zou opleveren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.