ECLI:NL:RVS:2013:BZ8725
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige Turkse vreemdeling in hoger beroep
De minister voor Immigratie en Asiel wees de aanvraag van een Turkse vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, omdat het ondernemingsplan onvoldoende onderbouwd was en niet voldeed aan de vereisten voor het aantonen van een wezenlijk Nederlands belang.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de minister ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Raad stelde vast dat de staatssecretaris de vreemdeling meerdere malen in de gelegenheid had gesteld om aanvullende stukken te overleggen, waaronder een volledig onderbouwd ondernemingsplan met marktanalyse en financieel plan, maar dat deze stukken ontbraken.
De Raad oordeelde dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat zijn zelfstandige arbeid een wezenlijk Nederlands belang dient en dat de staatssecretaris in redelijkheid mocht verlangen dat de gevraagde stukken werden overgelegd. De Raad verwierp ook de bezwaren van de vreemdeling over de toepassing van de standstill-bepaling en het puntensysteem.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.