Eiser, afkomstig uit Sri Lanka, diende een asielaanvraag in na intrekking van zijn studievisum. Hij stelde dat hij vanwege zijn politieke activiteiten voor de oppositiepartij JVP en de dreiging van de huidige regering vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens kennelijke ongegrondheid, stellende dat eiser ongeloofwaardige verklaringen gaf over zijn politieke overtuiging en activiteiten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte de sterkte van de politieke overtuiging had beoordeeld, aangezien eiser al voor vertrek in negatieve aandacht stond. Desondanks bleef het beroep ongegrond omdat de rechtbank de geloofwaardigheid van de gestelde politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende vond onderbouwd.
De rechtbank benadrukte dat eiser onvoldoende gedetailleerd kon uitleggen waarom hij zich bij de JVP aansloot en zijn activiteiten onvoldoende kon concretiseren. Ook het incident met gewapende mannen bij zijn woning werd niet overtuigend onderbouwd, mede door tegenstrijdigheden en gebrek aan bewijs. De aanvraag werd daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing bleef in stand.