Eiser diende op 26 augustus 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden stelde eiser de staatssecretaris op 1 juli 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Op 14 oktober 2022 stelde eiser beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en dat het beroep daarom kennelijk gegrond is. De rechtbank verwijst naar de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000. Tevens bespreekt zij de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van dwangsommen in asielprocedures.
De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris binnen acht weken na verzending van dit vonnis alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, moet een dwangsom van € 100,- worden betaald, met een maximum van € 7.500,-. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 418,50.