Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
eisende partij in conventie,
gemachtigde: mr. P. van der Veld (toevoeging: [toevoeging] ),
gedaagde partij in conventie,
gemachtigde: mr. R. Verspaandonk.
Rechtbank Den Haag
Partijen, die een affectieve relatie hadden, zijn sinds februari 2021 samenwonend als contractuele medehuurders van een woning. Eind 2022 eindigde hun relatie en verliet de vrouw de woning. Zij zegde de huur op, maar de verhuurder ging hier niet mee akkoord. De vrouw vorderde toewijzing van het huurrecht aan de man vanaf haar vertrekdatum, vrijwaring voor aanspraken van de verhuurder, vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
De man vorderde in reconventie betaling van achterstallige huur en voorgeschoten kosten door de vrouw. De kantonrechter oordeelde dat op grond van art. 7:267 lid 7 BW Pro het huurrecht aan de man kan worden toegewezen, maar niet per direct vanaf het vertrek van de vrouw. Redelijkheid en billijkheid vereisen een latere datum, omdat de man niet alleen de huur kan dragen. Daarom werd het huurrecht toegewezen vanaf 1 juni 2023.
De vorderingen van de vrouw tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van misbruik van procesrecht door de man. De vorderingen van de man tot betaling van huurachterstanden en voorgeschoten bedragen werden eveneens afgewezen, omdat geen expliciete afspraken over kostenverdeling bestonden en geen sprake was van ongerechtvaardigde verrijking.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De kantonrechter verklaarde het huurrecht toe aan de man vanaf 1 juni 2023 en wees verder gevorderde zaken af.
Uitkomst: Het huurrecht wordt toegewezen aan de man met ingang van 1 juni 2023 en proceskosten worden gecompenseerd; overige vorderingen worden afgewezen.