Eiser heeft op 4 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden en een rechtsgeldige ingebrekestelling op 19 september 2023, stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en verklaart het beroep gegrond. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet wordt de niet tijdige beslissing gelijkgesteld aan een besluit. De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen volgens het 8+8 wekenmodel dat door de Afdeling bestuursrechtspraak is bevestigd.
Verder legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van €418,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 18 december 2023.