ECLI:NL:RBDHA:2023:20059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
NL23.33202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eerder had de rechtbank bij uitspraak van 9 mei 2023 een beslistermijn van zestien weken opgelegd, die op 29 augustus 2023 eindigde. De staatssecretaris heeft echter nagelaten binnen deze termijn een besluit te nemen, waarna eiser op 19 oktober 2023 opnieuw beroep instelde wegens niet tijdig beslissen.

De rechtbank stelt vast dat de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden en dat eiser terecht geen nieuwe ingebrekestelling heeft gestuurd, gelet op jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep wordt dan ook kennelijk gegrond verklaard.

De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 en bepaalt dat de staatssecretaris binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €418,50.

Deze uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift indienen indien hij het niet eens is met de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de staatssecretaris op binnen acht weken alsnog een besluit te nemen, onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33202

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

geboren op [geboortedatum],
van Afghaanse nationaliteit,
v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij uitspraak van 9 mei 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep niet tijdig beslissen gegrond verklaard, en - voor zover hier van belang - een beslistermijn van zestien weken opgelegd om alsnog te beslissen op de asielaanvraag van eiser.
Op 19 oktober 2023 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. De rechtbank stelt vast dat de bij uitspraak van 9 mei 2023 opgedragen termijn eindigde op 29 augustus 2023 en dat vanaf 30 augustus 2023 de termijn van de rechterlijke dwangsom is gaan lopen.
5. Op de datum van het instellen van het beroep, te weten 19 oktober 2023, was de in deze zaak geldende beslistermijn verband houdend met de maximale rechterlijke dwangsom verstreken. De rechtbank is van oordeel dat eiser op goede gronden geen nieuwe ingebrekestelling aan de staatssecretaris heeft gestuurd. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 14 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:774) volgt immers dat voor een dergelijk opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen geen ingebrekestelling vereist is. Indien een belanghebbende reeds eerder een procedure bij de bestuursrechter heeft aangespannen en de bestuursrechter daarbij een uitdrukkelijke termijn heeft gesteld voor het nemen van een (nieuw) besluit, heeft op die manier reeds een zekere attendering plaatsgevonden en kan redelijkerwijs niet van de belanghebbende worden gevergd om het bestuursorgaan (nogmaals) in gebreke te stellen.
6. Het beroep is kennelijk gegrond.
7. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank, gelet op de jurisprudentie ter zake (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b van de Awb bepalen dat de staatssecretaris alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de ABRvS het 8+8-wekenmodel passend geacht.
8. De rechtbank is van oordeel dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden in beginsel een kortere termijn dan volgens het 8+8-wekenmodel dient te worden gegeven om een beslissing te nemen op de asielaanvraag. Anderzijds blijft het van belang dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen. De rechtbank zal daarom tot uitgangspunt nemen dat de staatssecretaris in zo’n geval binnen acht weken op de asielaanvraag dient te beslissen. Bijzondere omstandigheden kunnen voor de rechtbank aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken door de staatssecretaris een andere termijn te geven. In dit geval is niet gebleken van dergelijke omstandigheden. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de staatssecretaris om op zorgvuldige wijze binnen acht weken een besluit te nemen. Dit betekent dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
9. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
10. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.