ECLI:NL:RBDHA:2023:20555

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
NL23.37666
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring en voortvarendheid uitzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 18 december 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de voortzetting van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds meerdere malen getoetst in eerdere uitspraken gedurende 2023.

De staatssecretaris had op 28 november 2023 de maatregel van bewaring opgeheven, waarna de rechtbank op 12 december 2023 de zaak behandelde. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig. De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel tot aan de opheffing rechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding.

Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld in de periode van 25 september tot 28 november 2023. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris wel degelijk voortvarend was geweest, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek, het verzoek om nieuwe dactyloscopische gegevens en het actief betrekken van de Marokkaanse autoriteiten.

De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de bewaring rechtmatig was en dat geen schadevergoeding toekomt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskosten werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2023 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Benayad),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het voortduren van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 6 maart 2023.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 27 maart 2023. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 13 juni 2023. [2] Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van
8 augustus 2023. [3] Op het beroep tegen het verlengingsbesluit is beslist bij uitspraak van
24 oktober 2023. [4] Op het beroep tegen de vervolgkennisgeving is beslist bij uitspraak van 25 oktober 2023. [5] Op het daaropvolgende vervolgberoep is beslist bij uitspraak van
14 november 2023. [6]
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd.
1.3.
De staatssecretaris heeft op 28 november 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring
rechtmatig was. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring was niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4.1.
Uit de uitspraak van 14 november 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 8 november 2023) rechtmatig was.
Werkte de staatssecretaris voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?
5. Eiser stelt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkte aan zijn uitzetting, omdat uit het dossier niet blijkt dat in de periode van 25 september 2023 tot en met 28 november 2023 uitzettingshandelingen zijn verricht.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eisers vervolgberoep op zitting is gezet omdat een recente voortgangsrapportage in het dossier ontbrak. De meest recente voortgangsrapportage van 11 december 2023 is op dezelfde dag, dus één dag voor de zitting, geüpload in het dossier. Uit deze voortgangsrapportage volgt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld. Na 8 november 2023 heeft de staatssecretaris de volgende uitzettingshandelingen verricht. Op 16 november 2023 heeft de staatssecretaris extra aandacht gevraagd voor eisers zaak bij de Marokkaanse autoriteiten. Hierbij gaven de autoriteiten aan dat eisers zaak in onderzoek is. Op
20 november 2023 hebben de autoriteiten verzocht om een nieuwe originele dacty voor eisers onderzoek, omdat de vorige onvoldoende kwaliteit had. Verder heeft de staatssecretaris op 20 november 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd, waarin eiser heeft verklaard dat hij geen medewerking wil verlenen aan de dacty. Op 28 november 2023 heeft de staatssecretaris de maatregel van bewaring opgeheven vanwege een belangenafweging in het voordeel van eiser. De staatssecretaris heeft op deze wijze voldoende voortvarend gehandeld aan eisers uitzetting. Het betoog van eiser dat sinds
25 september 2023 tot aan 28 november 2023 geen uitzettingshandelingen hebben plaatsgevonden, volgt de rechtbank daarom niet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het voortduren van de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 27 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8613.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 13 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8747.
3.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 8 augustus 2023, zaaknummer: NL23.21960 (niet gepubliceerd).
4.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 24 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16961.
5.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16854.
6.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 14 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18115.
7.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.