ECLI:NL:RBDHA:2023:20573
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op humanitaire gronden wegens niet voldoen inburgeringsvereiste
Eiser, van Indiase nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid en verzocht om verlenging op humanitaire gronden. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet had voldaan aan het inburgeringsexamen en niet was vrijgesteld hiervan. Tevens vond verweerder dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, die het recht op gezins- en privéleven beschermt, niet in het voordeel van eiser uitviel.
Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte het ontbreken van invulling van het gezinsleven met zijn minderjarige kinderen had meegewogen, dat strafrechtelijke veroordelingen onterecht zwaar wogen en dat het economisch belang ten onrechte zwaar was meegewogen. Ook stelde eiser dat er sprake was van een nieuw besluit waartegen bezwaar had moeten worden gemaakt. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen ontheffing van de inburgeringsplicht gaf, omdat eiser het examen niet had gehaald en geen aantoonbare inspanningen had verricht.
De rechtbank overwoog dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt, waarbij het belang van de kinderen was meegewogen, maar dat het nadeel voor eiser door het ontbreken van feitelijke gezinsinvulling, de verbroken partnerrelatie, verblijf in een opvang en strafrechtelijke veroordelingen zwaar woog. Ook het economische belang van Nederland werd meegewogen. De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging een fair balance vormde en dat het weigeren van de vergunning niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor verlenging van de verblijfsvergunning op humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.