ECLI:NL:RBDHA:2023:2061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 februari 2023
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
AWB - 22 _ 1162
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2.48 Wet BRPArt. 2.49 Wet BRPBoek 1 titel 19 en 20 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen uitschrijving uit Basisregistratie Personen afgewezen wegens gebrek aan belanghebbende

Eiseres, die het bewind en mentorschap heeft over een verstandelijk en lichamelijk beperkte persoon, maakte bezwaar tegen diens uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (Brp) door het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk. Het bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat eiseres als mentor en bewindvoerder zonder machtiging niet bevoegd is om wijzigingen door te geven in de Brp en daarom geen objectief, persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit. Dit maakt haar geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb Pro. De rechtbank stelt vast dat de vader van de betrokkene, hoewel niet wettelijk vertegenwoordiger, wel bevoegd was de adreswijziging door te geven omdat zij hetzelfde woonadres hadden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, waarbij zij zelf in de zaak voorziet. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt dat de betrouwbaarheid van de Brp-gegevens voorop staat, maar dat de rechtmatigheid van het meeverhuizen buiten de scope van dit besluit valt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/1162

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2023 in de zaak tussen

Iedereeneencoach.nl B.V., te Leiden, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, verweerder

(gemachtigde: L.M.Y. Tan)

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de uitschrijving uit de Basisregistratie personen (Brp) door verweerder van [A] .
Bij besluit van 25 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2023 op zitting behandeld via een videoverbinding. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar directeur [B] . Verweerder is bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft van de rechtbank per 5 november 2019 het bewind en mentorschap over de verstandelijk en lichamelijk beperkte [A] verkregen. [B] is directeur van eiseres en heeft vanuit zijn hoedanigheid als mentor en bewindvoerder van [A] bezwaar gemaakt tegen de uitschrijving door zijn vader uit de Brp. Eiseres stelt dat de heer [C] zijn zoon [A] tegen zijn wil heeft meegenomen naar Spanje. Vader is volgens eiseres niet de wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon. Verweerder had op basis van de door [C] op 26 juli 2021 gedane aangifte,
[A] daarom niet mogen uitschrijven uit de Brp.
2. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bewindvoerders en mentoren zijn zonder machtiging niet bevoegd om aangifte te doen. Enkel aan curatoren komt deze bevoegdheid toe.
Het oordeel van de rechtbank
3. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [1] volgt dat voor het zijn van belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), iemand een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dient te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. [2]
4. Eiseres is geen curator en is vanuit haar hoedanigheid als mentor en bewindvoerder, zoals verweerder terecht heeft betoogt, niet bevoegd om zonder machtiging wijzigingen voor de onder haar mentorschap en bewind staande [A] door te geven in de zin van de Wet Basisregistratie personen. [3] Omdat op grond van de Wet Brp, noch op grond van het Burgerlijk Wetboek, aan eiseres in dit verband bevoegdheden toekomen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen objectief, persoonlijk, rechtstreeks en eigen belang heeft. Verweerder heeft dit niet onderkend en het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk verklaard.
5. Dat [C] geen wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon is kan, wat hier verder ook van zij, niet leiden tot een ander oordeel omdat dit niet ter zake doet.
en [A] hadden hetzelfde woonadres en daarom kon
[C] , in zijn rol van ouder van zijn meerderjarig kind, voor beiden de adreswijziging doorgeven op grond van de Wet Brp. [4]
6. Tot slot geeft de rechtbank mee dat de uitschrijving uit de Brp niet bepalend is voor rechtmatigheid van het meeverhuizen van [A] . Het doel van de Wet Brp is dat de in de Brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen de basisregistratie gegevens over de feitelijk verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. [5]
Conclusie
7. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte ongegrond verklaard. Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.
8. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 februari 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
BIJLAGE
Wet Basisregistratie personen
Artikel 2.48
De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 tot en met 2.47, rusten op:
a. ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar;
b. ouders, voogden en verzorgers voor inwonende minderjarigen van 16 jaar of ouder, tenzij de minderjarige zelf de verplichting vervult;
c. curatoren voor onder curatele gestelden.
Artikel 2.49
1. De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.39 en 2.44 tot en met 2.46, kunnen worden vervuld door:
a. de ouder en zijn meerderjarige kind, indien beiden hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;
b. echtgenoten dan wel geregistreerde partners die hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;
c. elke meerderjarige voor een persoon die hem daartoe schriftelijk gemachtigd heeft;
d. het hoofd van een instelling voor gezondheidszorg voor een in die instelling verblijvende persoon die wegens de toestand van zijn gezondheid niet in staat kan worden geacht aan zijn verplichtingen te voldoen of een machtiging daartoe te geven, dan wel de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel of de bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad van een zodanig persoon, onder overlegging van een schriftelijke verklaring ter zake van het hoofd van de desbetreffende instelling.
(…)

Voetnoten

1.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling, van 27 juni 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:2105).
3.Artikel 2.48, aanhef en onder c, en artikel 2.49, eerste lid en onder c, van de Wet BRP. Zie ook Boek 1, titel 19 en 20, Burgerlijk Wetboek.
4.Artikel 2.49, eerste lid en onder a, van de Wet BRP
5.Zie de uitspraak van de Afdeling, van 17 maart 2021, (ECLI:NL:RVS:2021:558).