ECLI:NL:RBDHA:2023:20708
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep samen met een andere zaak behandeld en verklaart het ongegrond.
De rechtbank overweegt dat het voornemen van de staatssecretaris een voorbereidingshandeling is zonder rechtsgevolg en dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen. De staatssecretaris heeft de bezwaren inhoudelijk beoordeeld, waardoor geen sprake is van onzorgvuldigheid.
Eiser stelde dat Nederland op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening verantwoordelijk is vanwege zijn afhankelijkheid van zijn broer die in Nederland verblijft. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij afhankelijk is van zorg van zijn broer en dat ook de familieband niet is onderbouwd met documenten.
Ten slotte betoogde eiser dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet is toegepast. De rechtbank stelt dat alleen bijzondere individuele omstandigheden tot toepassing leiden en dat eiser deze niet aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de staatssecretaris terecht de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen.