ECLI:NL:RBDHA:2023:21441
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg in 2017 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst. In 2022 diende hij een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verweerder trok zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 31 april 2021 in en wees de aanvraag af omdat eiser niet langer tot de legale arbeidsmarkt behoorde en niet voldeed aan de voorwaarden van het Besluit 1/80.
Eiser voerde aan dat hij rechten ontleende aan artikel 6 en Pro 7 van Besluit 1/80, dat het besluit onzorgvuldig was en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat eiser sinds 31 oktober 2020 geen arbeid meer verrichtte en geen nieuwe werkgever had gevonden binnen de redelijke termijn, waardoor hij niet langer tot de legale arbeidsmarkt behoorde. Ook was hij geen gezinslid meer van een Turkse werknemer, zodat hij geen rechten aan het Besluit 1/80 kon ontlenen.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser en bevestigde dat de intrekking met terugwerkende kracht rechtmatig was. De rechtbank vond dat verweerder niet verplicht was een voornemen kenbaar te maken en dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is en verweerder van het horen mocht afzien gezien de omstandigheden. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van connexiteit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en afwijzing van zijn EU-verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.