ECLI:NL:RBDHA:2015:14661
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet verenigbaar met Besluit 1/80
Eiseres had een verblijfsvergunning als familielid van een Turkse werknemer verkregen, welke met terugwerkende kracht tot 13 september 2013 werd ingetrokken door verweerder wegens het achterhouden van gegevens over het beëindigen van het dienstverband van haar echtgenoot tijdens de aanvraagperiode.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraagperiode eindigt bij de daadwerkelijke afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en dat eiseres en haar echtgenoot tijdens deze periode gegevens hebben achtergehouden, namelijk het feit dat het dienstverband per 1 september 2013 was beëindigd, terwijl zij dit niet aan verweerder hebben gemeld.
Desondanks is de intrekking met terugwerkende kracht in strijd met artikel 13 van Pro Besluit 1/80, omdat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze bevoegdheid al vóór de inwerkingtreding van Besluit 1/80 in 1980 toepaste. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard zonder haar te horen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens dient verweerder een nieuwe belangenafweging te maken op grond van artikel 8 EVRM Pro. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.