Eiser heeft op 3 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn besloten, mede door een verlenging van de beslistermijn met negen maanden sinds 27 september 2022. Eiser stelde de Staatssecretaris op 9 september 2023 in gebreke en diende daarna beroep in, hoewel dit meer dan twee weken na de ingebrekestelling was.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de Staatssecretaris niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op, verdeeld in twee periodes van acht weken: eerst voor het afnemen van een eerste gehoor en daarna voor het nemen van een besluit. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500 voor het overschrijden van deze termijn.
Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €209,25 toegekend, gebaseerd op het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener en de lichte aard van de zaak. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verplicht de Staatssecretaris binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.