Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] (Zwitserland), eiser
de minister van Financiën, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser verzoekt om een compleet overzicht van alle digitaal en op andere wijze over hem verwerkte gegevens gedurende de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2020;
Het Hof van Justitie heeft in het arrest F.F. tegen Österreichische Datenschutzbehörde [4] deze uitleg bevestigd en overwogen dat de ruime definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ dus niet alleen de door de verwerkingsverantwoordelijke verzamelde en bewaarde gegevens omvat, maar ook alle informatie die voortvloeit uit een verwerking van persoonsgegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon, zoals de beoordeling van zijn solvabiliteit of betalingsbereidheid.
8. Het voorgaande maakt dat het recht op inzage niet op voorhand zonder meer wordt geblokkeerd, omdat in interne stukken sprake zou (kunnen) zijn van vertrouwelijke (interne) correspondentie, stukken waarin persoonlijke gedachten en/of adviezen zijn verwoord die zijn opgesteld met het oog op intern overleg en beraad, dan wel interne besluitvorming. [5] Voor zover verweerder heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank MiddenNederland [6] waarin is overwogen dat het inzagerecht zich niet uitstrekt tot (delen van) interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verwerkingsverantwoordelijke bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad, overweegt de rechtbank dat voor dat oordeel is verwezen naar verouderde rechtspraak uit 2007 en 2011. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van verweerder dat dergelijke gegevens niet hoeven te worden verstrekt.