ECLI:NL:RBDHA:2023:2239
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen omgevingsvergunning parkeren gevaarlijke stoffen wegens relativiteitsvereiste
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de omgevingsvergunning centraal die het college van burgemeester en wethouders van Gouda heeft verleend aan een bedrijf voor het aanleggen en gebruiken van een parkeerterrein voor vervoerseenheden met vloeibare gevaarlijke stoffen.
Eisers betoogden dat het parkeerterrein ongeschikt is vanwege de ligging binnen de bebouwde kom en nabij woonwijken, en dat niet voldaan wordt aan de richtafstanden uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). De rechtbank oordeelde dat het Bevi en de Revi niet rechtstreeks van toepassing zijn op het parkeerterrein, omdat het geen inrichting is zoals bedoeld in deze regelgeving.
De rechtbank stelde vast dat het invloedsgebied van de inrichting beperkt is tot circa 46 meter buiten het terrein, terwijl eisers op minimaal 70 meter afstand wonen en geen eigendommen binnen het invloedsgebied hebben. Hierdoor strekken de normen van het Bevi en de Revi, als invulling van het milieubelang, niet tot bescherming van de belangen van eisers.
Gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb kan het beroep over externe veiligheid niet leiden tot vernietiging van het besluit. Ook de procedurele bezwaren over publicatie konden niet tot vernietiging leiden. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens het relativiteitsvereiste.