ECLI:NL:RBDHA:2023:3038

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
10 maart 2023
Zaaknummer
NL22.19279
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet tijdig beslissen op asielaanvraag en oplegging dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingediend op 27 februari 2022. De staatssecretaris heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen en heeft geen gebruik gemaakt van verlengingsmogelijkheden. De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen niet-ontvankelijk is vanwege de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, omdat eiser rechtsgeldig ingebreke is gesteld en de wettelijke termijn is verstreken zonder besluit. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, waarbij eiser eerst binnen acht weken na verzending wordt gehoord over zijn asielmotieven.

Verder legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat de staatssecretaris in gebreke blijft. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van €418,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en zonder verweerschrift van de staatssecretaris.

Uitkomst: Het beroep tegen bestuurlijke dwangsommen is niet-ontvankelijk verklaard; de staatssecretaris moet binnen zestien weken een besluit nemen met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19279

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 27 september 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 27 februari 2022.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht op de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom die door verweerder wordt verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag, verwijst de rechtbank naar de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet). Deze wet sluit uit dat artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg hiervan is dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren.
2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 30 november 2022 [1] geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend moet worden geacht wegens strijd met het Unierecht. Nu artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat in zoverre het procesbelang ontbreekt. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk voor zover het strekt tot het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen.
3. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Eiser heeft op 27 februari 2022 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 27 augustus 2022 een beslissing had moeten nemen.
5. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat er een beslissing op eisers asielaanvraag is genomen. Eiser heeft verweerder op 31 augustus 2022 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
6. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder op te dragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, verweerder een dwangsom op te leggen van € 100 voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven en verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
7. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit.
8. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 [2] houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen binnen een redelijk termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van een andere beslistermijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter stelt dus geen nadere beslistermijn waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna voor het bekendmaken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken-model) passend.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser een aanmeldgehoor heeft gehad op 27 februari 2022 en een eerste gehoor op 9 maart 2022. Op 16 maart 2022 heeft eiser correcties en aanvullingen bij het eerste gehoor ingediend. Eiser is nog niet in de gelegenheid gesteld uitgebreid te verklaren over zijn asielmotieven. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden eiser moet horen over zijn asielmotieven en binnen acht weken daarna zijn besluit aan eiser bekendmaakt, in ieder geval binnen zestien weken na deze uitspraak.
10. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 [3] volgt dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet onderbindend is voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen. Dit betekent dat de bestuursrechter ook in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat verweerder binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
11. De rechtbank zal om deze reden bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover dit ziet op het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor het overige gegrond;
  • vernietigt het met een besluit te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (zevenduizend vijfhonderd euro);
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.