Eiser diende een asielaanvraag in op 23 augustus 2021. De staatssecretaris besloot op 21 oktober 2022 de aanvraag in te willigen, maar niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden. Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen het besluit zelf, waarbij hij tevens een bestuurlijke dwangsom vorderde.
De rechtbank behandelde het beroep op 22 februari 2023, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen en verweerder zich eveneens afmeldde. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, omdat het besluit inmiddels is genomen en eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het niet tijdig beslissen.
De rechtbank onderzocht vervolgens of de staatssecretaris een bestuurlijke dwangsom verschuldigd was. Op grond van recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sluit de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND uit dat een bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd bij het niet tijdig beslissen op asielaanvragen. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €837,00 wegens het niet tijdig beslissen.