Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen. De rechtbank heeft op 21 april 2022 reeds een termijn van twaalf weken gesteld waarbinnen een besluit moest worden genomen, maar deze termijn is verstreken zonder besluit. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond.
De rechtbank bespreekt de toepasselijkheid van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en verwijst naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen niet in strijd achten met het Unierecht, maar het afschaffen van rechterlijke dwangsommen wel.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen op de asielaanvragen. Voor elke dag vertraging na deze termijn is een dwangsom van €250 verschuldigd, met een maximum van €37.500, vanwege de lange overschrijding van de beslistermijn.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van €418,50. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en openbaar gemaakt op 21 maart 2023.