Eiser diende op 8 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden stelde eiser de staatssecretaris op 12 september 2022 in gebreke en stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit, waardoor het beroep ontvankelijk is.
De rechtbank wijst op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de onverenigbaarheid met Unierecht van het uitsluiten van rechterlijke dwangsommen. Daarom beveelt de rechtbank dat de staatssecretaris binnen zestien weken alsnog een besluit neemt en legt een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 7.500 bij overschrijding.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 418,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 21 maart 2023.