Eiser, van Egyptische nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij een referent. Na melding van beëindiging van de relatie en samenwoning door de referent, heeft de staatssecretaris de vergunning met terugwerkende kracht per 8 december 2021 ingetrokken. Eiser betwistte dit besluit en stelde onder meer dat intrekking met terugwerkende kracht niet is toegestaan volgens de Vreemdelingenwet 2000 en dat hij ten onrechte niet is gehoord.
De rechtbank stelt vast dat de beëindiging van de relatie en samenwoning niet is bestreden en dat eiser inmiddels niet meer in Nederland verblijft. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bevestigd dat intrekking met terugwerkende kracht mogelijk is binnen het stelsel van de Vreemdelingenwet 2000. De stelling dat intrekking met terugwerkende kracht problemen kan veroorzaken voor de werkgever van eiser leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijke problemen zich hebben voorgedaan.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder niet verplicht was eiser te horen, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.