ECLI:NL:RBDHA:2023:3841

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
NL22.21123, NL22.21125, NL22.21126, NL22.21128 en NL22.21129
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eisers, Syrische asielzoekers, dienden op 31 maart 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar dit werd op 21 juni 2021 door de rechtbank herroepen. De staatssecretaris verlengde de beslistermijn met negen maanden, maar deze termijn verstreek zonder dat een besluit werd genomen. Eisers stelden de staatssecretaris op 29 september 2022 in gebreke en dienden vervolgens beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn, inclusief verlenging, is verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. De beroepen zijn daarom kennelijk gegrond. De rechtbank verwijst naar de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen in asielzaken niet in strijd acht met Unierecht, maar het afschaffen van rechterlijke dwangsommen wel.

De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag. Tevens legt zij een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500, voor elke dag dat de termijn wordt overschreden. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van €569,25.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken alsnog een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL22.21123, NL22.21125, NL22.21126, NL22.21128, NL22.21129

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer]
en
[naam] ,eiseres
,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer]
mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [V-nummer]
en
[naam]
Geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [V-nummer]
en
[naam] ,
Geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer]
allen van Syrische nationaliteit
gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

(gemachtigde: M. Noslin)

Procesverloop

Eisers hebben op 31 maart 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag werd op 15 april niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep werd op 21 juni 2021 gegrond verklaard. Bij brief van 8 december 2021 heeft verweerder de beslistermijn met negen maanden verlengd.
Bij brief van 29 september 2022 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eisers hebben vervolgens op 18 oktober 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Verweerder heeft op 2 november 2022 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet verweerder binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw heeft verweerder de beslistermijn met negen maanden verlengd.
5. Op 29 september 2022, toen eisers verweer in gebreke hebben gesteld, was deze verlengde termijn verlopen. De rechtbank stelt vast dat deze wettelijke beslistermijn is verstreken, dat eisers verweerder rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
6. De beroepen zijn daarom kennelijk gegrond.
7. In artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (hierna: de Tijdelijke wet) is bepaald dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19, afdeling 8.2.4a en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft zich in twee uitspraken van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) uitgelaten over de verbindendheid van artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet voor zover dat artikel de mogelijkheid uitsluit dat in de asielprocedure de staatssecretaris een dwangsom verbeurt wanneer hij na ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag (de bestuurlijke dwangsom) en dat de bestuursrechter bepaalt dat de staatssecretaris een in een uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt (de rechterlijke dwangsom). Naar het oordeel van de ABRvS is het uitsluiten van het verbeuren van een bestuurlijke dwangsom niet in strijd met het Unierecht. Dit betekent dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verbeurt als hij niet binnen twee weken na ingebrekestelling alsnog een besluit neemt op de asielaanvraag van de vreemdeling. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken heeft de ABRvS wél in strijd met het Unierecht geacht. Artikel 1 van Pro de Tijdelijk wet is in zoverre onverbindend.
9. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepalen dat verweerder alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eisers. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de ABRvS verweerder gevolgd in het standpunt dat een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-wekenmodel) passend is. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen.
10. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten.
12. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de brief van 2 november 2022 heeft aangegeven de proceskosten te zullen vergoeden tot een bedrag van € 569,25. Nu verweerder heeft toegezegd dit bedrag aan proceskosten aan verzoekers te zullen vergoeden, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 569,25.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van N.G. Fuller, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.