ECLI:NL:RBDHA:2023:3900

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
NL23.4329 en NL23.4330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8 EVRMartikel 3.6b, aanhef en onder c van het Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag vanwege internationale bescherming in Duitsland

Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende op 17 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft gekregen, wat door eiser werd betwist. Eiser stelde dat zijn tijdelijke verblijfsdocument in Duitsland niet betekent dat hij daar nog bescherming geniet en dat hij geen redelijke band met Duitsland heeft om terug te keren.

De rechtbank overwoog dat verweerder terecht mocht afgaan op de informatie van de Duitse autoriteiten, waaronder Eurodac-gegevens en schriftelijke bevestigingen dat eiser in 2018 subsidiaire bescherming in Duitsland heeft gekregen en daar bij terugkeer zal worden toegelaten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondersteunt dit standpunt.

Verder oordeelde de rechtbank dat de band tussen eiser en Duitsland voldoende is om terugkeer redelijk te achten. De Duitse autoriteiten hebben de intentie om eiser te beschermen en hij kan zich tot hen wenden bij problemen. De vermeende foutieve naamregistratie doet hieraan niet af; dit kan eiser in Duitsland aankaarten.

De rechtbank wees ook het verzoek om ambtshalve toetsing van artikel 8 EVRM Pro af, omdat bij niet-ontvankelijkverklaring wegens bescherming in een andere lidstaat deze toetsing niet plaatsvindt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.4329 (beroep) en NL23.4330 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer/ voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Radema).

ProcesverloopBij besluit van 10 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.4330, op 9 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1990. Hij heeft op 17 november 2022 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft zijn aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat hij internationale bescherming heeft gekregen in Duitsland.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat het enkele feit dat hij in Duitsland in 2019 een tijdelijk verblijfsdocument (een soort “Duldung”) heeft gekregen dat drie maanden geldig was, niet wil zeggen dat hij daar nu nog (subsidiaire) bescherming geniet. Hij heeft ook geen “zodanige band” met Duitsland dat het voor hem redelijk is om terug te keren. Hij komt daar niet aan fatsoenlijke huisvesting en werk en er kan geen gezinshereniging met zijn dochter plaatsvinden. Eiser wil verder dat zijn naam wordt gewijzigd en heeft daartoe een kopie van zijn doopakte en van de Nederlandse paspoorten van zijn broer en zijn zus overgelegd. Tenslotte had ambtshalve beoordeeld moeten worden of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd dat eiser geen recht heeft op familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [1]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Internationale bescherming
4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [2] mag verweerder in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Uit het Eurodacsysteem volgt dat op 9 februari 2018 te Giessen (Duitsland) eisers vingerafdrukken zijn afgenomen. Daarbij hebben de Duitse autoriteiten op 11 januari 2023 schriftelijk laten weten dat eiser op 22 september 2018 subsidiaire bescherming is verleend. Ook hebben de Duitse autoriteiten op 28 februari 2023 schriftelijk laten weten dat eiser bij terugkeer weer zal worden toegelaten. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er vanuit gaan dat de ontvangen informatie correct is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft gekregen. Eiser heeft niet onderbouwd of nader geconcretiseerd dat zijn internationale beschermingsstatus zou zijn ingetrokken of beëindigd.
5. De omstandigheid dat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft, betekent ook dat er sprake is van een zodanige band tussen eiser en Duitsland dat het voor hem redelijk is om daar naartoe terug te keren. [3] Verder volgt uit de verleende verblijfsstatus al dat de Duitse autoriteiten de intentie hebben om eiser te beschermen. Bij voorkomende problemen kan eiser zich wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten of daartoe geëigende instanties. Niet is aannemelijk geworden dat zij hem niet zouden kunnen of willen helpen.
Naam
6. In deze zaak is op grond van de vingerafdrukken van eiser vastgesteld dat aan hem in Duitsland een subsidiaire status is verleend. Dat zijn naam volgens hem verkeerd is weergegeven, maakt dit niet anders. Eiser kan desgewenst bij de Duitse autoriteiten een en ander, onder overlegging van de kopie van zijn geboorteakte en andere stukken, aankaarten.
Ambtshalve toetsing (artikel 3.6b, aanhef en onder c van het Vb 2000)/ Artikel 8 van Pro het EVRM
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit meegewogen dat eisers broer en zus in Nederland wonen en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Een ambtshalve beoordeling van de vraag of eiser op grond van zijn familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aanspraak maakt op verblijfsrecht in Nederland, vindt niet plaats bij een zaak als onderhavige, waar de asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard omdat de vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat. [4]
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen
aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N.Y. Majoor, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441 en de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3128.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795 en 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2421.