ECLI:NL:RVS:2022:2421
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel na internationale bescherming in Denemarken
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 11 april 2022 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 21 juli 2022 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had terecht geoordeeld dat omdat de vreemdeling internationale bescherming geniet in Denemarken, aan de voorwaarden van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is voldaan. Daarnaast behoefde de staatssecretaris niet ambtshalve te beoordelen of de vreemdeling op grond van zijn gezinsleven aanspraak maakt op verblijfsrecht in Nederland.
De verwijzing van de vreemdeling naar eerdere uitspraken over gezinshereniging en gezinsvorming werd niet gevolgd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de verblijfsvergunning bevestigd.