Uitspraak
1.NL22.24493.
2.ECLI:NL:RVS:2022:3269.
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, betwistte de rechtmatigheid van zijn staandehouding en ophouding, stellende dat hij rechtmatig in Nederland verbleef vanwege een lopend hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De rechtbank stelde vast dat het hoger beroep geen voorlopige voorziening gaf en dat eiser op het moment van staandehouding geen rechtmatig verblijf had.
Verweerder legde op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van bewaring op, gebaseerd op zware gronden zoals het ontbreken van een geldig reisdocument en onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit en nationaliteit. De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist en voldoende waren.
Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting was omdat de Marokkaanse autoriteiten zelden laissez-passers verstrekken, en dat een lichter middel passend zou zijn vanwege zijn persoonlijke en medische omstandigheden. De rechtbank concludeerde dat er wel degelijk zicht op uitzetting is, mede door lopende procedures en vingerafdrukverificatie, en dat de maatregel proportioneel was gezien het risico op onttrekking aan toezicht.
Daarnaast verwierp de rechtbank het verweer dat het detentiecentrum Rotterdam niet als speciale inrichting voor bewaring kan worden aangemerkt, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.