ECLI:NL:RBDHA:2023:467
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring maatregel van bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn
De zaak betreft het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat de rechtbank ambtshalve binnen 28 dagen had moeten toetsen of de voortzetting van de maatregel rechtmatig was, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022.
De rechtbank stelt vast dat uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest niet volgt dat de rechter zelf het initiatief moet nemen voor deze toetsing; deze ligt bij de bevoegde autoriteit, de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), die de voortgang met redelijke tussenpozen beoordeelt. De rechter controleert deze toetsing slechts bij een lange periode van bewaring. In deze zaak was de laatste toetsing twee maanden geleden, wat geen lange periode is.
De rechtbank beoordeelde vervolgens of de DT&V voldoende voortvarend heeft gehandeld en of er zicht is op uitzetting. Uit de voortgangsrapportage en toelichting bleek dat er geen aanwijzingen zijn dat uitzetting niet mogelijk is en dat de belangenafweging is gemaakt, ook met betrekking tot de medische situatie van eiser. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is voortgezet en verklaart het beroep ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.