ECLI:NL:RBDHA:2023:4671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2023
Publicatiedatum
4 april 2023
Zaaknummer
NL22.24253
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 42 VwVerordening Nr. 604/2013
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediend beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag

Eiseres heeft op 28 november 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 17 september 2021. De staatssecretaris was aanvankelijk niet verantwoordelijk voor de behandeling vanwege de Dublinverordening, maar werd dat vanaf 12 april 2022. Vanaf die datum startte de wettelijke beslistermijn van zes maanden, die op 12 oktober 2022 zou eindigen.

Met de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 op 27 september 2022 is de beslistermijn rechtsgeldig verlengd met negen maanden tot 12 juli 2023. De rechtbank volgt eerdere uitspraken dat deze verlenging gegrond is vanwege de situatie zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet.

De ingebrekestelling van eiseres op 6 november 2022 was daarom prematuur, omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier N.A. D’Hoore en openbaar gemaakt op 29 maart 2023.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediend beroep tegen niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.24253

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Eliya),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

Eiseres heeft op 28 november 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 17 september 2021.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing
van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit
met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het
beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een
besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling
door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiseres heeft op 17 september 2021 een asielaanvraag ingediend. Verweerder is in eerste instantie ervan uitgegaan dat op grond van de Dublinverordening [2] de Sloveense autoriteiten verantwoordelijk waren voor de behandeling van de asielaanvraag. Met ingang van 12 april 2022 is verweerder echter verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag en verweerder heeft terecht aangenomen dat de beslistermijn ingevolge artikel 42, zesde lid, van de Vw [3] op die datum is aangevangen. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in geval van eiseres op 12 oktober 2022 eindigen. Verweerder heeft met de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 [4] de beslistermijn met ingang van 27 september 2022 verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiseres pas op 12 juli 2023 zal eindigen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 [5] geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Deze verlenging is daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat op het moment van de ingebrekestelling de beslistermijn nog niet was verstreken, waardoor de ingebrekestelling van 6 november 2022 te vroeg is ingediend. Daarom is het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verordening Nr. 604/2013.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.