Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 25 januari 2022, waarna verweerder niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden een besluit nam. Nadat eiser verweerder op 13 september 2022 in gebreke stelde, stelde hij beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond en bepaalde dat verweerder binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Hierbij moet verweerder binnen acht weken na verzending een eerste gehoor afnemen en binnen de volgende acht weken een besluit bekendmaken.
Hoewel sinds 11 juli 2021 de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van toepassing is, waardoor geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd zouden zijn bij te late beslissingen op asielaanvragen, oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de artikelen betreffende dwangsommen uit de Awb toch van toepassing zijn. Daarom legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €7.500.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50, vanwege het inschakelen van juridische hulp. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E.M. van Abbe en griffier D.A.M. Delger op 15 februari 2023.